Zero Emissie Busvervoer over de grens: transitie in Nederland

In Vlaanderen jaagt het Platform ZEB de transitie naar zero emissie busvervoer aan, maar ook over de grens in Nederland worden hier de nodige stappen in gezet.

Als context is het handig om te weten dat er grote verschillen zijn tussen Vlaanderen en Nederland in de wijze van aanbesteding. In Vlaanderen is er één regisseur (De Lijn) voor al het (bijzonder en regulier) geregeld busvervoer, die ongeveer de helft van de ritten zelf rijdt en de andere helft aanbesteed aan exploitanten. In Nederland wordt het geregeld busvervoer aanbesteed in concessies door de OV-autoriteiten: de twaalf provincies en twee metropoolregio’s (Amsterdam en Rotterdam-Den Haag). Op een concessie-uitvraag schrijven grote vervoersbedrijven zich in, zoals Connexxion (onderdeel van Transdev) en Arriva. De winnende partij voert voor een periode van meestal tien jaar (acht jaar met een mogelijke verlenging van twee jaar) al het busvervoer binnen het concessiegebied uit. Bijzonder geregeld vervoer bestaat in Nederland uit het vervoer van mensen met een beperking (waaronder zieken, ouderen en leerlingen van speciaal onderwijs). Dit gebeurt niet per bus maar met taxi-voertuigen en minibusjes en wordt hoofdzakelijk aanbesteed door de gemeenten.

Een eerste grote stap richting Zero Emissie Busvervoer was in oktober 2012 het tekenen van een Green Deal door de provincies Noord-Brabant, Limburg en de Stichting Zero Emissie Busvervoer. Naast het uitvoeren van een aantal pilots was één van de uitwerkingen het ontwikkelen van een TCO-tool: een rekenhulp om de Total Cost of Ownership (TCO) te berekenen. Naast financiële aspecten, biedt deze tool inzicht in bijvoorbeeld de uitstoot die vrijkomt bij het gebruik van de bussen.

Ook in het platform ZEB wordt deze tool gebruikt: voor een aantal ‘use cases’ (exemplarische situaties) wordt een passende zero emissie oplossing bedacht, die vervolgens doorgerekend wordt om een beeld te krijgen van de TCO (ook in vergelijking met dieseloplossingen). Door deze oefening ontstaat een beeld van de (on)mogelijkheden en implicaties van zero emissie busvervoer in verschillende situaties.

Als vervolg op de Green Deal sloten de OV-autoriteiten en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een bestuursakkoord onder begeleiding van APPM, partner in het platform ZEB. In dit akkoord stelden zij ambitieuze doelen: in 2025 moeten alle nieuwe bussen zero emissie aan de uitlaat zijn, en in 2030 zelfs alle bussen. Tegelijkertijd beseften zij dat zij als overheden dit niet alleen kunnen: samenwerking met marktpartijen is cruciaal om deze doelen te behalen.

Daarom hebben ze (wederom onder begeleiding van APPM) een marktdialoog gehouden: open gesprekken met 28 marktpartijen variërend van vervoerders tot busfabrikanten en van laad- en tankinfrastructuurleveranciers tot netbeheerders. In deze gesprekken werd er invulling gegeven aan de doelen uit het bestuursakkoord. Onderwerpen varieerden van rolverdelingen en eigendom van assets, tot transitiestrategieën en van technische zaken tot de wijze van aanbesteding, maar de insteek was overal hetzelfde: welke stappen moeten er gezet worden om deze transitie te versnellen?

Uiteindelijk moet de transitie naar ZEB natuurlijk plaatsvinden in de praktijk, binnen concessies, maar de Green Deal, het bestuursakkoord, de TCO-tool en de marktdialoog zijn daarin behulpzaam gebleken. In steeds meer concessies in Nederland rijden zero emissie bussen en hun aantallen worden ook steeds groter. Zo zijn er bijvoorbeeld in Eindhoven twee volledige stadslijnen geëlektrificeerd met de inzet van 43 elektrische gelede bussen, en rondom luchthaven Schiphol zullen dat er vanaf december 2017 zelfs 100 zijn. De transitie naar ZEB in Nederland is in volle gang en blijft interessant om te volgen en er hier in Vlaanderen ons voordeel mee te doen.