De algemene doelstelling van het Platform ZEB is het formuleren van antwoorden op de vraag: “Hoe kunnen we in Vlaanderen de transitie naar Zero Emissie voor het collectief Busvervoer versnellen?”. Wij zijn ervan overtuigd deze doelstelling te kunnen bereiken door middel van kennisopbouw en -verspreiding, ophalen en inventariseren van drempels en opportuniteiten, formuleren van beleidsaanbevelingen en sensibilisatieacties op te zetten.

Om de doelstelling te bereiken maken we gebruik van verschillende werkpakketten of thema’s met elk hun specifieke doel/uitkomst.

Onderstaand worden de verschillende werkpakketten of thema’s verder toegelicht.

THEMA 1 TECHNISCH

Dit werkpakket richt zich op de achterliggende systemen die typerend zijn voor Zero Emissie Busvervoer (ZEB) voor collectieve vloten. We inventariseren de internationale lessons learned rond ZEB voor collectieve vloten en projecteren die op de Vlaamse situatie.

We analyseren de business case vanuit het oogpunt van de opdrachtgever/exploitant en werken een TCO-model (Total Cost of Operations/Ownership) op hoofdlijnen uit. We maken een Return On Investment (ROI) en Social Return On Investment (SROI) analyse die we vergelijken met deze die in andere Europese regio’s worden toegepast. Deze financiële analyse zorgt ervoor dat we, in functie van de investeringshorizon, een objectieve benchmark kunnen maken tussen de ZEB, LEB (Low Emission) en Dieselbussen. In de evaluatie van de businesscase wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de implementeerbaarheid voor enerzijds de openbare en anderzijds de private diensten. Het business model kan ongelijk zijn indien bv. in een aanbesteding voor de private exploitanten van De Lijn, de aangeboden contractduur niet afgestemd is op de mogelijke afschrijvingsperiode van de investering.

Het inzetten van ZEB in een operationele buslijn gaat verder dan enkel het vervangen van het voertuig. Er dient ook rekening gehouden te worden met laadbeurten in uurregelingen en andere operationele aspecten. Deze worden eveneens meegenomen in dit werkpakket.

We bekijken koppelkansen voor andere elektrische voertuigen op laadpunten voor ZEB en hun impact op het financiële en operationele. De stroomvoorziening en laadinfra voor ZEB kunnen ook mogelijkheden bieden voor voertuigen in voor-en natransport bij het OV maar ook logistieke voertuigen kunnen gebaat zijn bij het delen van laadinfrastructuur en/of de capaciteit van de stroomvoorziening.

Dit werkpakket richt zich specifiek op de voertuigen. Binnen de scope van dit werkpakket zitten de eigenlijke voertuigen, hun aandrijfsystemen, de on-board energieopslag en captatie (i.s.m. wp3) … maar ook de capaciteit (aantal passagiers), range, laadsnelheid, multipurpose inzetbaarheid van het voertuig, … én de hier bij horende voorwaarden om deze implementeerbaar te maken in de vloten voor het geregeld vervoer in Vlaanderen.

In dit werkpakket wordt bijgevolg:

  • een overzicht gemaakt van het marktaanbod aan ZEB in Vlaanderen. Hierbij wordt het wereldwijde aanbod vergeleken met wat op vandaag op de Europese markt effectief aangeboden wordt;
  • criteria opgesteld voor de inzetbaarheid van deze voertuigen in het Vlaamse geregeld busvervoer en/of het schoolvervoer en/of het ongeregeld vervoer;
  • het marktaanbod geselecteerd dat aan deze criteria voldoet;
  • een aanzet gegeven voor de mogelijke businesscase beschreven voor elk van de overblijvende voertuigen, die verder in samenspraak met de resultaten van werkpakket 3 verfijnd worden in werkpakket 1.

Dit werkpakket richt zich op het laadaspect van ZEB voor collectieve vloten (laden – principes, locaties & technologieën – batterij en Grid). Indien we de alle bussen van De Lijn (2262) en die van haar exploitanten (1404) zouden vervangen door elektrische bussen is er nood aan een gepaste laadinfrastructuur en aan voldoende elektriciteit. Om die bussen zoals nu jaarlijks 190 miljoen km te laten rijden is er naar schatting 250 GWh aan elektriciteit nodig. Dat lijkt een enorme hoeveelheid, maar als we dit vergelijken met de hoeveelheid jaarlijks opgewekte en geïmporteerde elektriciteit in België, dan is dit minder dan 0,4%. Wat energiebevoorrading betreft is er dus geen drempel. Het leveren van het benodigde vermogen om al deze elektrische bussen van energie te voorzien met behulp van een gepaste laadinfrastructuur is iets minder voor de hand liggend.

Daarbij komen heel wat vragen kijken, zoals bijvoorbeeld:

  • Hoeveel laadpunten zijn er nodig en van welk type moeten deze zijn ?
  • Wat heb je nodig om bijvoorbeeld 10 bussen op een drukke terminal tegelijkertijd snel op te laden?
  • Zijn die laders wel veilig voor de reizigers en de voorbijgangers ?
  • Wat is de impact van de tijdstabellen en gereden trajecten op de keuze van de laadpunten en hun gebruik?
  • Wat is het piekvermogen dat op de laadpunten moet worden geleverd ?
  • Kan het distributienet dit in alle omstandigheden en op elk tijdstip leveren ?
    Wat is de impact van de keuze van de laadpunten op de mogelijke keuzes van bus (en batterij) types ?
  • Is het beter om ’s nachts traag te laden of snel overdag ?
  • Hoe kan de hoeveelheid hernieuwbaar opgewekte elektriciteit voor het laden worden vergroot ?

Tezamen met WP1 en WP2 zal dan geïdentificeerd worden welke lijnen en diensten in welke tijdsfase in aanmerking zouden kunnen komen voor elektrificatie. Hierbij houden we maximaal rekening met de ervaringen die zijn opgedaan in internationale pilootprojecten en studies. Die informatie bekomen we via UITP, IRU en de netwerken van de partners.

Vervolgens zoeken en formuleren we antwoorden en leggen we deze voor aan de stakeholders om te kunnen verifiëren in welke mate ze tegemoet komen aan de vragen, bedenkingen, bezorgdheden en drempels die werden vastgesteld. Met deze terugkoppeling zullen de antwoorden worden bijgesteld en gedocumenteerd. We streven daarbij naar maximale synergie en interoperabiliteit op de sites (ook tussen andere types voertuigen – vracht, personenvoertuigen en e-bikes) en houden rekening met de voor- en nadelen van een uniforme aanpak in de verschillende steden en gemeenten.

Uiteindelijk moet dit werk resulteren in een vermindering van het aantal mogelijke opties en aanbevelingen m.b.t. laadinfrastructuur en initiële project elementen zullen worden geformuleerd.

THEMA 2 BELEIDSAANBEVELINGEN

Dit werkpakket zal er voor zorgen dat de opgebouwde kennis uit de werkpakketten 1-3 worden vertaald naar beleidsaanbevelingen.

Vanuit de opgedane kennis van werkpakketten 1, 2 en 3 zullen we een overzichtelijk document met beleidsaanbevelingen opmaken. De doelgroep voor dit document zijn lokale en bovenlokale overheden, maar ook exploitanten van toekomstige ZEB-lijnen.

We voorzien eveneens een checklist/quick scan die gebruikt kan worden om de marktrijpheid van een project na te gaan. (feasibility study) In deze tool focussen we ons zowel op het financiële, organisatorische (juridisch, bestuurlijk, projectorganisatorisch etc.) en technologische (voertuig en infra; operationele organisatorisch, hardware etc.).

We lijsten eveneens een aantal strategieën en oplossingsrichtingen op voor de drempels die we opgehaald hebben bij de verschillende geconsulteerde partijen.

THEMA 3 PROJECTEN

We zijn als projectpartners overtuigd dat er in Vlaanderen voldoende kansen liggen voor ZEB. Met dit werkpakket willen we deze kansen zichtbaar maken, toetsen op hun marktrijpheid en de partijen samenbrengen die nodig zijn om van de opportuniteiten effectieve projecten te maken. We richten ons, buiten de algemene inventarisatie op 8 projecten rond ZEB die tegen het einde van het project alle randvoorwaarden inzichtelijk zijn om effectief op te starten.

We richten ons bij projecten op volledige dienstverleningen dus een volledige OV-lijn, een volledige lijn voor werknemersvervoer en een volledige lijn voor schoolvervoer. We gaan dus bewust verder dan het sporadisch inzetten van een aantal voertuigen al dan niet op variabele lijnen. Enkel het uitwerken van een aanbod voor de volledige lijn geeft ons de kans om de opgedane kennis op vlak van systemen, voertuigen en elektro in een echte marktomgeving uit te testen.

THEMA 4 SENSIBILISERING

Om de transitie naar Zero-Emissie in het collectief personenvervoer op gang te brengen en te voltrekken, is het onontbeerlijk de juiste partijen bij het proces te betrekken. Een duidelijk en sterk communicatieplan zowel in het kader van het voorgestelde onderzoeksproject als ter voorbereiding van de vervolgtrajecten is hiervoor onontbeerlijk.

Deze communicatie strekt er steeds toe in eerste instantie te sensibiliseren, daaropvolgend steun te werven en uiteindelijk participatie te verzekeren. Voor de communicatie binnen dit kader viseren wij drie hoofddoelgroepen: 1) Overheden, 2) vervoersondernemers en 3) het publiek.

Met de communicatie rond dit project naar het ruimere publiek toe, wensen wij uiteraard niet enkel het klassieke publiek dat al gebruik maakt van collectief vervoer te bereiken. Er zal vooral gewerkt worden om een nieuw, aankomend publiek aan te spreken. Op die manier wordt breder maatschappelijk draagvlak gecreëerd en dus een grotere vraag naar Zero-Emissie collectief vervoer bewerkstelligd. Dit moet op zijn beurt beleidsmaker en exploitanten ertoe aanzetten het nodige te doen om aan die vraag tegemoet te komen.

THEMA 5 CONSOLIDATIE

Voor de dagelijkse verspreiding van de projectresultaten voorzien we een projectwebsite met de mogelijkheid om een periodiek nieuwsupdate naar de betrokken stakeholders te sturen. Door de inbedding van het project bij verschillende federaties kunnen we een maximale verspreiding van de resultaten naar de directe doelgroep garanderen.

Tijdens de 2 terugkoppelsessies en de slotconferentie voorzien we een terugkoppeling van de (tussentijdse) resultaten naar de verschillende stakeholders. Met deze informatie kunnen zij verder aan de slag, elk binnen hun eigen rol in de ZEB-waardeketen.

De ontwikkelde tool/quick-scan zal door de federaties naar hun leden/exploitanten en via de steden naar de opdrachtgevers uitgedragen worden, waarna deze hiermee aan de slag kunnen gaan bij de analyse van een nieuwe of vernieuwing van een busdienst. Zowel voor OV als voor school- en werknemersvervoer.

We voorzien ook disseminatiemogelijkheden op landelijke of Europese events rond (bus-)mobiliteit en afstemming met 2 internationale projecten rond ZEB o.a. in Nederland en binnen de netwerken van de UITP.